THOMAS

Portret van Thomas door Joan van den Mynnesten. Verloren
gegaan schilderij in de 2e W.O. |
Thomas a Kempis
leefde en werkte een groot deel van zijn leven in het Sint Agnesklooster op de Nemelerberg bij Zwolle. Thomas a
Kempis behoort tot de belangrijkste vertegenwoordigers van de
laatmiddeleeuwse vernieuwingsbeweging, de Moderne Devotie. Zij werd in gang
gezet door de Deventer burgemeesterszoon Geert Grote (1340-1384), die zich
tegen het moreel verval van kerk en maatschappij verzette. De parochie beschikt over verschillende (kunst)voorwerpen, die met Thomas a
Kempis te maken hebben: diverse schilderijen en afbeeldingen verspreid over
de verschillende kerklocaties, een reliekschrijn, een ontwerp
Thomas-gedachtenismonument, de wapenspreuk van de Onze Lieve Vrouwebasiliek,
die ontleend is aan Thomas’ bekende boek de Navolging van Christus en ook
elders in de stad wijzen straatnamen, beelden en informatieborden op het
levend willen houden van een periode uit de Zwolse religieuze en kerkelijke
geschiedenis. Het kiezen van een naam sluit ook – onuitgesproken nog – een
programma in. Vlag en lading moeten elkaar dekken. Graag willen zij uit zijn
rijke laat-middeleeuwse geestelijke nalatenschap en het christelijk erfgoed
waar hij voor stond putten om onze parochie Thomas a Kempis geestelijk
handen en voeten te geven. |
reliekschrijn van Thomas. Sinds 2006 aanwezig
in de basiliek
De beginjaren
In 1379 of in 1380 wordt Thomas Hemerken of Hämerken in – het tegenwoordig
in Duitsland gelegen – Kempen geboren, dat behoorde tot het aartsbisdom
Keulen, waaronder ook een groot deel van de noordelijke Nederlanden viel.
Thomas’ vader was een ambachtsman, vermoedelijk zilversmid, getuige het
hamertje dat hij in het familiewapen voerde. Thomas heeft nog een vijftien
jaar oudere broer, Johannes, die gerekend wordt tot de kloosterlingen van de
eerste generatie van de Moderne Devotie. Hij was betrokken bij de stichting
van het eerste klooster van de Windesheimer Congregatie in Windesheim in
1387 gelegen enkele kilometers ten zuiden van Zwolle. Evenals zijn broer
voelde Thomas Hemerken zich aangesproken door de roep, die van de religieuze
en kerkelijke vernieuwingsbeweging van Geert Grote uitging en reeds een
grote bekendheid gekregen had binnen het bisdom Utrecht, waarvan Zwolle en
Deventer de regionale uitstralingscentra waren.
De Moderne Devotie verzette zich tegen het toenemend geestelijk verval in
kerk en maatschappij. Het kerkelijk gezag van de paus was ernstig aangetast
door het Westers Schisma (1378-1417). Twee pausen resideerden er toen; één
in Avignon, de andere in Rome. In alle geledingen van de kerkelijke
hiërarchie was het verwerven van betaalde ambten en carrièremakerij als een
sluipende ziekte doorgedrongen. In de samenleving stond materieel gewin
hoger aangeschreven dan de houding van een innerlijk, evenwichtig levend
mens. Het kon niet uitblijven dat dit gevolgen had voor de kwaliteit van het
geestelijk leven en het daaruit voortvloeiend gedrag. De Moderne Devotie
stond ten opzichte van deze misstanden een mentaliteitsverandering voor. In
het bijzonder richtte deze zich op jonge mensen, scholieren van de
verschillende Latijnse parochie-, stads- en kapittelscholen. Verschillende
van die scholen droegen door onderwijshervormingen die nieuwe levenshouding
uit. De stadsschool van Zwolle onder leiding van de onderwijshervormer
magister Johan Cele (ca 1345-1417) en de kapittelschool van Sint-Lebuïnus te
Deventer onder leiding van Willem Vreden waren toonaangevend in Thomas’
tijd.
In 1392 trekt de twaalfjarige scholier Thomas vanuit zijn geboorteplaats
Kempen naar het klooster te Windesheim. Zijn broer en medestichter van het
Mariaklooster aldaar stuurt hem terug naar Deventer met een
aanbevelingsbrief voor Florens Radewijns, een van Geert Grote’s goede
vrienden. In Deventer wordt Thomas opgenomen in het convict (kosthuis) voor
arme scholieren (domus pauperum) onder de hoede van heer Florens, die als
Thomas’ mentor optreedt. Florens Radewijns (ca1350-1400) is ook de stichter
van het eerste fraterhuis in Deventer, waar de grondslag wordt gelegd voor
de latere huizen van de Broeders van het Gemene (gemeenschappelijke) Leven.
Het betreft een gemeenschap van leken, die geen kloostergeloften aflegden,
maar gehoorzaamheid beloofden aan de rector van het huis en met elkaar
wilden leven volgens het ideaal van de vroege kerk, zoals beschreven in de
Handelingen van de Apostelen (Hand.4:32). In het huis van Geert Grote, het
meester Geertshuis wordt de basis gelegd voor het eerste zusterhuis: Zusters
des Gemene leven.
Intrede in het klooster op de Agnietenberg
In 1399, na zijn schoolloopbaan te hebben beëindigd, keert Thomas naar
Windesheim terug en trekt verder naar Zwolle. Zijn broer Johannes is
inmiddels benoemd tot prior van het nieuw gestichte klooster op de
Agnietenberg. Vermoedelijk volgt Thomas nog enkele lessen aan de beroemde
Latijnse school van meester Cele en kerkt hij in de Onze Lieve Vrouwekapel
aan de Ossenmarkt, waarvan de eerste bouwfase net is voltooid. Naar gebruik
van die tijd en om geld voor de bouw te genereren was aan het bidden in de
druk bezochte kapel een aflaat verbonden. Zo trad ook Thomas hier in de
voetsporen van vele pelgrims. De Onze Lieve Vrouwekapel was toen ook een
bedevaartskerk mede toegewijd aan de pestheilige Antonius Abt. In 1398 werd
Zwolle door een pestepidemie getroffen.
Zegel behorende bij het
klooster St. Agnes op de
Nemelerberg
In hetzelfde jaar, hij is dan 18 of 19 jaar oud, meldt Thomas van Kempen
zich aan de kloosterpoort van het Agnietenklooster op de Nemelerberg,
tegenwoordige Agnietenberg, vlak
bij de Vecht, waar naar Deventer voorbeeld in 1386 vanuit de Praubstraat een
fraterhuis was gesticht en onder de schutse gesteld van Sint-Agnes. Thomas
ontmoet hier voor de tweede keer zijn broer. Het broederhuis werd namelijk
in 1398 omgevormd tot een klooster van Reguliere kanunniken van Windesheim
volgens de regel van Augustinus en dat behoorde tot de kloosterfederatie het
Kapittel (Congregatie) van Windesheim. Tot eerste prior werd benoemd
Johannes van Kempen. Dit klooster zal Thomas, behoudens twee onderbrekingen,
niet meer verlaten. De eerste keer in 1402 om samen met zijn broer de
nalatenschap van zijn ouders te regelen in Kempen en de tweede keer
gedurende het conflict rond de Utrechtse bisschopsbenoeming. De communiteit
gaat dan in vrijwillige ballingschap en wijkt dan uit naar Ludingakerke bij
Franeker (1429-1432).
Schrijf- en vormingswerk
Na een lange noviciaatsperiode doet Thomas in 1406 zijn eeuwige professie,
maar het zal nog tot 1413 of 1414 duren voordat hij zich tot priester laat
wijden. Waarom Thomas met dat besluit zo lang heeft getalmd is onbekend. In
1425 wordt Thomas benoemd tot subprior. Dat houdt onder meer in dat hij de
taak van novicenmeester uitvoert. Dit is hem op het lijf geschreven. Thomas
heeft een belangrijke rol gespeeld bij de opleiding en vorming van jonge
kloosterlingen. In die tijd schrijft hij talloze geestelijke tractaten
(opstellen), die met die novicenmeesterstaak samenhangen. Alles in het
Latijn, naar het gebruik van die tijd. Latijn was immers de universele taal
van kerk en wetenschap.
Intussen is Thomas ook begonnen met het verzamelen van uitspraken en
kernachtige bijbelspreuken, die in kringen van de Moderne Devotie opgeld
doen, zij noemen dit het geestelijk notitieboekje of Rapiarium. Hiermee legt
Thomas vanaf 1420 de basis voor het al tijdens zijn leven beroemd geworden
boek De Imitatione Christi (Over de Navolging van Christus). Twintig jaar
lang voegt Thomas aan deze tractaten verbindende teksten toe, herschrijft en
redigeert ze en hij structureert de tekst in uiteindelijk vier ‘boeken’ die
samen de Navolging vormen. Al tijdens zijn leven worden diverse redacties
gekopieerd, verspreid en gelezen binnen en buiten de kringen van de Moderne
Devoten. Vandaar dat er verschillende redactionele versies bekend zijn. In
1441 sluit Thomas dat project af. De definitieve handgeschreven redactie
voorzien van het jaartal 1441 en van zijn naam bevindt zich tegenwoordig in
de Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Tot op de dag van vandaag blijkt dit
boek een bron van grote geestelijke en mystieke rijkdom te zijn met veel
praktische wenken voor de opbouw van een persoonlijk geestelijk leven. De
populariteit van de Navolging blijkt ook uit de vroege vertalingen die er
bekend zijn in diverse toenmalige landstalen. Zo is er al een
Middelnederlandse vertaling bekend uit omstreeks 1440, een Middelengelse
vertaling uit circa 1475 en een Middelfranse uit rond 1490, afgezien nog van
de vele drukken, die vanaf het derde kwart van de 15de eeuw verschijnen.
In de periode tussen 1427 en 1439 kopieert Thomas van Kempen ook de gehele
bijbel in vijf delen. Dit op de Agnietenberg tot stand gekomen en door
enkele medebroeders rijk geïllustreerde werk is te bewonderen in de
Hessische Hochschul- & Landesbibliothek in Darmstadt. Een ander belangrijk
werk is de kroniek van het Agnesklooster. Op de hoge leeftijd van 84 jaar
begon Thomas op aandringen van zijn medebroeders aan dit karwei. Hij heeft
de geschiedenis van het huis tot aan zijn dood in 1471 bijgehouden. Hij
beschrijft daarin de periode van 1386 tot 1471. Veel heeft hij dus nog
kunnen optekenen uit mondelinge overleveringen. Een onbekend gebleven
huisgenoot zette de geschiedschrijving nog voort tot 1477. De oudst bekende
vertaling in het Nederlands van de in het Latijn geschreven Chronicon
Canonicorum Regularium Montis Sanctae Agnetis door Johannes Kattenbelt
verscheen in 1718. Johannes Kattenbelt was een neef van Arnoldus Waeyer, die
in de schuilkerkentijd veel betekend heeft voor de zielzorg onder de Zwolse
katholieken.
Bij zijn dood liet Thomas van Kempen een omvangrijk oeuvre na. De rector van
het Gymnasium Thomaeum in Kempen, Michael Josephus Pohl, verzorgde tussen
1902 en 1922 een 7-delige uitgave met het verzameld werk van Thomas, de
Opera Omnia. Ter gelegenheid van het eeuwfeest van het verschijnen van het
eerste deel in die reeks werd in het Duitse Kempen in 2002 dat feit met een
internationaal congres gevierd.
Na Thomas’ dood
Wanneer Thomas van Kempen op 25 juli 1471, de feestdag van Sint-Jacobus, in
het klooster op de Agnietenberg ’s avonds na de completen overlijdt, wordt
hij begraven in het oostelijk deel van de trans, dat deel uitmaakt van de
kruisgang. In een bescheiden hoekje in de directe nabijheid van een van de
steunberen van de kloosterkerk, wordt Thomas’ lichaam bijgezet. Later zal
deze informatie van groot belang blijken te zijn voor het vinden van Thomas’
stoffelijke resten twee eeuwen na zijn dood. Het Sint-Agnesklooster op een
uur gaans van de binnenstad is dan vrijwel verdwenen, al moeten er toen nog
muurresten in het terrein op Bergklooster zichtbaar geweest zijn.
De zestiende eeuw is een tijdperk van grote onrust. De conflicten met de
hertog van Gelder en later de godsdiensttwisten en de daaruit voortvloeiende
Tachtigjarige Oorlog hadden een verwoestende uitwerking op het
Agnietenklooster. In 1561, nog geen honderd jaar na Thomas overlijden, wordt
het klooster opgeheven. Tien jaar later wordt de kloosterbibliotheek
verkocht en raken de kostbare boeken verstrooid. Enkele gebouwen worden
afgebroken en het overig deel verkocht aan de zusters Augustinessen van het
Zwolse klooster ‘Op die Maet’, die er hun intrek nemen.
Vanaf 1575 neemt allerhande krijgsvolk bezit van het strategisch gelegen
gebouwencomplex nabij de Vecht. In 1580 krijgt het Zwolse stadsbestuur, dat
dan de kant van de hervorming heeft gekozen, de goederen van het
Agnietenklooster definitief in handen. Een jaar later besluiten schepenen en
raden het klooster af te breken. Ondermeer worden met het vrijgekomen
materiaal de vestingwerken aangelegd. De openbare uitoefening van de
katholieke eredienst wordt verboden en de tijd van de schuilkerken breekt
voor hen aan.
Reliekschrijn
In 1672, in de geschiedenis bekend als het ‘Rampjaar’, bezetten troepen van
de bisschoppen van Münster en Keulen ondermeer Zwolle. Deze bezetting zal
twee jaren duren. In de middeleeuwen (tot 1559) viel ons land kerkelijk
bijna in zijn geheel onder het bisdom Utrecht dat op zijn beurt weer deel
uitmaakte van het aartsbisdom Keulen. Er bestonden dus oude historische
banden met deze streek. De Keulse keurvorst en kardinaal-aartsbisschop
Maximiliaan Hendrik Ernst van Beieren liet Arnold Waeyer (1606-1692), die in
de schuilkerkentijd priester was van de statie aan de Spiegelsteeg en de
kloosterkroniek goed kende, de plek aanwijzen op Bergklooster, waar Thomas
van Kempen begraven was. Aanvankelijk had de Keulse bisschop de bedoeling de
stoffelijke resten van Thomas als relikwieën naar zijn Keulse residentie mee
te nemen, omdat hij vreesde dat Thomas’ grafplaats in de Calvinistische
republiek niet veilig was. Zover is het niet gekomen en nog altijd rust
Thomas’ gebeente (maar beslist niet alles!) in een reliekkist uit 1674 met
het opschrift: Reliquiae pii Thomae a Kempis (de relieken van de vrome
Thomas van Kempen). Ondanks een poging in 1676 van Maximiliaan van Beieren
om het gebeente van Thomas te verwerven, ziet Waeyer er op toe dat dit niet
gebeurt. Ook de prior van het klooster van reguliere koorheren Groenendaal
bij Brussel, Herman Soly, doet een tweetal pogingen de relieken van Thomas
in bezit te krijgen. Het is Waeyers verdienste deze voor Zwolle behouden
bleven. Helaas gingen zijn opvolgers er wat lichtzinniger mee om.
Wedstrijd
Na de samenvoeging van de schuilkerken aan de ‘Spiegelsteeg’ en ‘Onder de
Bogen’ in 1809 wordt de reliekschrijn opgesteld in de laatst genoemde
statie. Later in 1855 komt hieruit de Sint-Michaëlparochie voort. Na diverse
bouwactiviteiten komt de schrijn terecht in de neogotische Michaëlkerk aan
de Roggenstraat/Nieuwstraat, die in 1892 gereed kwam. Om Thomas’
nalatenschap te eren wordt in 1894 een prijsvraag uitgeschreven voor het
ontwerpen van een Thomas a Kempismonument, waarin de reliekschrijn een
waardige plek moet krijgen. In de jury hebben onder anderen zitting Herman
J.A.M. Schaepman, de bekende priester-staatsman en de befaamde architect
Pierre Cuypers uit Roermond. Intussen ontvangt de voorbereidingscommissie
giften van koningin Emma, regentes, en van paus Leo XIII, maar ook van vele
vooraanstaande personen uit diverse Europese landen en uit de Verenigde
Staten om het gedenkteken te kunnen bekostigen.
Het
Thomas a Kempis monument in de voormalige St. Michael aan de
Roggenstraat. In 1965 slachtoffer geworden van de slopershamer
Van de 18 inzendingen, alle anoniem en van een bepaald motto voorzien,
worden de twee bekroonde ontwerpen door de jury bekend gemaakt. Het
uitverkoren ontwerp blijkt te zijn ingestuurd door het bekende kerkelijke
kunstatelier van Friedrich Wilhelm Mengelberg uit Utrecht. Dit monument
wordt dan ook in natuursteen uitgevoerd en op 10 november 1897 plechtig
onthuld door de aartsbisschop van Utrecht, Henricus van de Wetering. De
glazen binnenkist van de schrijn wordt door de bisschop verzegeld en ook de
bijbehorende oorkonde van zijn zegel voorzien. Daarna wordt de kist onder in
het gedachtenismonument geplaatst. Daar blijft het staan tot het jaar 1965,
toen door de sloop van kerk dit acht meter hoge gedenkteken definitief
verloren ging.
Het ontwerp dat de tweede prijs kreeg, maar nooit werd uitgevoerd in
kalksteen of marmer, was een ontwerp van de Leuvense kunstenaar Benoit van
Uytvanck en zijn compagnon Camille Goffaerts. Het schaalmodel vervaardigd
van hout en gips bevindt zich tegenwoordig in het trefcentrum van de
Michaëlkerk aan de bisschop Willebrandlaan.
Thomas en de actualiteit
Door de tijden heen is de herinnering aan Thomas van Kempen blijven bestaan,
al waren er perioden, waarin de belangstelling voor hem en de
vernieuwingsbeweging, de Moderne Devotie, waar hij voor stond, verflauwde.
Het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw laten een opleving zien.
De eerder genoemde prijsvraag gaf dat al aan. Rond 1904 wordt er een beeld
aan de buitengevel van het Dominicanenklooster geplaatst; geen beeld van
Thomas van Aquino, maar van Thomas van Kempen! Op 11 juni 1919 spreekt pater
G.A. Meijer, historicus en subprior van het Dominicanenklooster, op de
Agnietenberg een rede uit ter gelegenheid van de plaatsing van een grote
Thomas a Kempisgedenksteen. Thans bevindt de steen zich bij de ingang van
begraafplaats Bergklooster. Het is de befaamde architect Pierre Cuypers, die
het ontwerp maakte in opdracht van de Vereeniging tot Beoefening van
Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). Thans staat de steen samen met
een tweetalig informatiepaneel over het klooster Sint-Agnietenberg bij de
ingang van de begraafplaats Bergklooster, vlakbij de plaats, waar eens de
kloosterkerk stond. In het laatste kwart van de 20ste eeuw ontstaat tegen de
geest van de tijd in een hernieuwde belangstelling voor de Moderne Devotie
en daarmee ook voor de persoon van Thomas van Kempen. Talrijke publicaties
in boek- of artikelvorm wijzen daarop.
Afkeer van en belangstelling voor Thomas
In het nog niet zo verre verleden, in de zestiger en zeventiger jaren van de
vorige eeuw, was de belangstelling voor Thomas a Kempis afgenomen. Vooral
het progressieve deel van de kerkgemeenschap kritiseerde Thomas’ geschriften
sterk, stelde zich op het standpunt dat Thomas van Kempen ons niets meer te
zeggen had en associeerde hem met het beeld van de oude en behoudende kerk.
Daarbij kwam dat toen in het algemeen de belangstelling voor geschiedenis en
traditie in een kwade reuk stond. Sterker nog, er heerste hier en daar zelfs
een revolutionaire geest, die streefde naar een nieuwe maatschappelijke en
bestuurlijke orde, die met dit verleden wilde afrekenen. Zo werd ook de
neogotiek als bouwstijl en als uiting van kerkelijke kunst in die jaren maar
al te zeer met behoudzucht van een triomfalistische kerk in verband
gebracht. Het was ook de tijd, waarin mystiek en spiritualiteit het moesten
afleggen tegen rationaliteit en maatschappelijk engagement. Nu wint meer de
gedachte veld dat deze aandachtsvelden elkaar aanvullen in plaats van
uitsluiten.
In Zwolle stond door een bijzondere samenloop van gebeurtenissen het jaar
2001 in het teken van Thomas van Kempen. Aan het begin van dat jaar vond er
een fusie plaats tussen de rooms-katholieke parochies, die verder gingen
onder de koepelnaam Parochie Thomas a Kempis. De Zwolse beeldhouwer Tom
Waterreus kreeg de opdracht een nieuw beeld van Thomas a Kempis te
vervaardigen ter vervanging van het oude verweerde beeld uit 1904 in verband
met het eeuwfeest van Dominicanenkerk en -klooster in het jaar 2002. Een
andere kunstenaar kreeg van de gemeente Zwolle de opdracht, gebaseerd op en
geïnspireerd door de nagelaten werken van Thomas een werkstuk te maken voor
de Thomas a Kempiszaal in het oude stadhuis. De componist en oud-directeur
van het Conservatorium Zwolle, Jacques Reuland, liet zich onder meer
inspireren door het geestelijk erfgoed van Thomas en componeerde een klein
oratorium onder de titel Thomas a Kempis, in Monte Sanctae Agnetis. In het
najaar van 2001 maakte de KRO-televisie een programma over Thomas a Kempis
in de reeks Mystici van Hadewijch tot Hillesum. Bij Ten Have/Agora verscheen
de vierde uitgave van de Navolging van Christus in de vertaling van Gerard
Wijdeweld met een voorwoord van dr. A.H.C. van Eijk, voorzitter van de Raad
van Kerken in Nederland. En ten slotte vond er een jaar later een
tentoonstelling plaats in het Stedelijk Museum Zwolle met portretten van
Thomas a Kempis in samenwerking met het Städtische Kramermuseum in Kempen.
(tekst: Ton Hendrikman)
Literatuur
- Thomas a Kempis, De navolging van Christus (vert. Gerard Wijdeveld),
(Kampen, 2001)
- Thomas van Kempen, Een klooster ontsloten. De kroniek van
Sint-Agnietenberg bij Zwolle in vertaling en met commentaar [vert.Udo de
Kruijf] (Kampen, 2000).
- P.H.T. Braam, Levensschets van Thomas a Kempis (Zwolle 1881)
- Bijdragen over Thomas a Kempis en de Moderne Devotie, Archief- en
Bibliotheekwezen in België (Brussel/Zwolle, 1971).
- Rudolf van Dijk, De Moderne Devotie. Haar invloed in de negentiende en
twintigste eeuw (Overijsselse Historische Bijdragen 117e stuk) (Zwolle,
2002)
- Paul van Geest, Thomas a Kempis (1379/1380-1471). Een studie van zijn
mens- en godsbeeld (Kampen, 1996).
- Ton Hendrikman, Rudolf van Dijk, Zwolle in het voetspoor van de Moderne
Devotie – stadswandeling en fietsroutes (Kampen, 1998), 2de gewijzigde druk.
- J.H. Mooren, Nachrichten über Thomas a Kempis nebst einem Anhange von
meistens noch ungedruckten Urkunden (Arnheim/Krefeld, 1855)
- W.G.A.J. Röring, Thomas a Kempis zijne voorgangers en zijne tijdgenooten
(Utrecht, 1902)
- Th. J. de Vries, Gedenkboek van de Sint-Michaël-Parochie te Zwolle
eertijds Statie ‘Onder den Bogen’ bij haar 300-jarig bestaan. 1641-1941
(Zwolle, 1941)
Ton Hendrikman
Zwolle, januari 2004